Buurt-energiebedrijf
Energiebedrijf zonder winstoogmerk van en voor de wijkbewoners
Stroom en gas afnemen voor de laagste prijzen in Nederland.
Zonnepanelen voor stroom en straks ook voor warmte
Aquathermie als vervanger voor 'het salderen'
De beste eerste stap in de energietransitie is: 'zonnepanelen op ieder dak'. Met de opgewekte stroom kan dan de continuïteit van wijk-distributiesystemen (stap 2) - een warmtenet met water op een lage temperatuur - geborgd worden. Vervolgens kunnen binnen de woningen in de aangesloten wijken de watertemperatuur met behulp van kleine warmtepompen naar de gewenste hoogten gebracht worden (stap 3).
De huidige warmtewet vormt een uitdaging
Opslag van stroom mag wel door energiemaatschappijen worden gedaan, en niet door netbeheerders
De warmtesector kan opgelucht ademhalen nu de Wet Collectieve Warmte (WCW) door de Eerste Kamer is aangenomen. Daarmee is er eindelijk duidelijkheid en weten meerdere bedrijven eindelijk waar ze aan toe zijn en wat ze de komende jaren allemaal kunnen gaan doen. De wet treedt 1 januari gefaseerd in werking. Maar wat zijn nu eigenlijk de belangrijkste veranderingen voor warmtenetten, gemeenten warmtebedrijven en afnemers?
De WCW vervangt de bestaande Warmtewet uit 2009 en het algemene doel is om ervoor te zorgen dat de warmtetransitie beter geregeld en gestuurd wordt en sneller zal gaan. De veranderingen op de volgende vlakken moeten daarvoor gaan zorgen.
Drie typen warmtesystemen onder de WCW
De WCW maakt onderscheid tussen drie verschillende warmtesystemen. Het gaat daarbij om warmtetransportnetten die warmte over lange afstanden vervoeren, zoals Warmtelinq. Dat is een ondergrondse leiding waarmee restwarmte uit de Rotterdamse haven wordt gebruikt om bedrijven te verwarmen. Het tweede onderscheid zijn collectieve warmtevoorzieningen, de grote warmtenetten in Amsterdam en Utrecht. Tot slot zijn er kleine, collectieve warmtesystemen met 10 tot 15.000 aansluitingen.
Grotere rol voor gemeenten in de warmtetransitie
Een van de meest ingrijpende wijzigingen is dat gemeenten in de nieuwe situatie een meer centrale rol krijgen in de warmtetransitie. Zo mogen gemeenten voortaan zelf warmtekavels aanwijzen waar een collectief warmtesysteem kan worden aangelegd en geëxploiteerd. Een warmtekavel in de WCW is een geografisch afgebakend gebied waarin één collectief warmtesysteem is. Gemeenten mogen daarnaast ook beslissen welke partij warmte mag produceren en leveren binnen een kavel. Zonder hun goedkeuring mag niemand iets doen. Lokale overheden krijgen dus veel meer zeggenschap, terwijl marktpartijen in de oude situatie veel meer vrij spel hadden.
Publiek meerderheidsbelang verplicht voor warmtebedrijven
De warmtebedrijven moeten dan ook een publiek meerderheidsbelang hebben, waarbij ze tenminste voor 50 procent in handen van een gemeente of provincie zijn. Er is een periode van zeven jaar vastgesteld om die 50/50 verdeling te bereiken. Als dat na die periode nog niet is gelukt kan er alsnog een privébedrijf worden aangewezen.
Nieuwe tariefstructuur: los van gasprijs
Een andere grote wijziging in de nieuwe situatie is terug te vinden bij de tarieven. Op dit moment zijn de kosten voor warmte- en koudelevering gekoppeld aan de gasprijzen. Dit heet het 'niet meer dan anders' principe. Met de WCW wordt deze koppeling stapsgewijs losgelaten en toegewerkt naar een op kostengebaseerd tarief. Deze wijziging moet leiden tot meer transparantie en eerlijke en betaalbare tarieven. De achterliggende gedachte is dat als consumenten reële prijzen kunnen betalen de warmtebedrijven een eerlijk rendement kunnen leveren.
Juridische hobbels
De WCW houdt ook rekening met warmtenetten die al in werking zijn getreden. Voor hen komt er een overgangsperiode. Gemeenten moeten de bestaande contracten gaan onderzoeken en ze vertalen naar de situatie die de WCW voorschrijft. De juridische stappen en knelpunten moeten daarbij worden opgelost.
Voor kleine warmtesystemen met maximaal 1.500 aansluitingen zijn de regels wat soepeler. Zij kunnen om ontheffing vragen voor het verbod op het leveren en transporteren van warmte. Zij hoeven dan niet door de gemeente aangewezen te zijn om toch warmte te kunnen leveren. De WCW noemt wel een aantal voorwaarden waar deze kleine warmtesystemen in zo'n geval aan moeten voldoen.
Kort samengevat verandert de WCW het volgende:
- Gemeenten krijgen regie over warmtenetten via warmtekavels
- Warmtebedrijven moeten voor minimaal 50% publiek eigendom zijn
- Warmtetarieven worden losgekoppeld van de gasprijs
- Bestaande warmtenetten krijgen te maken met overgangsrecht
- Kleine collectieve warmtesystemen krijgen meer flexibiliteit
Bij de privatisering van de energiemaatschappijen is indertijd een strikte scheiding tussen energiemaatschappijen en netbeheerders afgesproken. Eén van de uitgangspunten is dat een netbeheerder verantwoordelijk is voor het transport, maar niet mag handelen in energie. Opslag van energie wordt gezien als handelen in energie: je slaat energie op als er een overschot is en verkoopt deze energie wanneer de prijzen hoger liggen.
Dat systeem loopt nu vast. Netbeheerders hebben een capaciteitsprobleem en willen dit oplossen, maar mogen dit dus niet doen door grootschalige opslag. Dat mag een energiemaatschappij wel, maar zij zijn niet degene die het capaciteitsprobleem hebben.
De energiewet en de warmtewet bieden geen duidelijkheid over de mogelijke uitwisseling tussen elektriciteit en warmte. Dit pleit voor een holistische benadering van wetgeving die de integratie van innovatieve energieopslagtechnologieën mogelijk maakt. De buurthub die wij voor ogen hebben kan elektriciteit en warmte met elkaar uitwisselen.
Waarom een lagetemperatuur netwerk in plaats van een hogetemperatuur netwerk?
De meeste stadsverwarmings-systemen van nu zijn inefficient
Een traditioneel warmtenet pompt centraal opgewekte warmte in water van boven de 70°C, 24 uur per dag rond, 365 dagen per jaar. Dat doe je voor de behoefte van de slechtste gebouwen. Voor de overige gebouwen is die temperatuur veel te hoog.
Energetisch is dat niet slim, zeker niet in de zomer, als je maar 3 procent van de capaciteit nodig hebt voor warmtetapwater en er veel warmte verloren gaat. Wij zien dus meer in laagtemperatuur aanvoer en lokaal opvoeren waar nodig. Dit gebeurt als bijvoorbeeld al in Heerlen, bij het Mijnwaternetwerk in het Maankwartier.
Netcongestie en afbouw salderen
Elke woning een thuisbatterij of buurtbatterijen?
Zolang thuisbatterijen (te) duur zijn en de installatie van buurtbatterijen door wetgeving belemmerd wordt, blijft voor zonnepanelen eigenaren tot 2025 terugleveren aan het net de beste optie. Hotelload bespreekt daarom met de energieleveranciers de mogelijkheden van een collectieve afspraak voor terugleververgoedingen.
Op zonnige dagen verloopt het terugleveren vaak vlotjes, maar in de toekomst zal de kans op afschakeling steeds groter gaan worden. Het net zal steeds vaker overbelast worden door de hoeveelheid zonne-energie op bepaalde zonnige momenten van de dag.
Thuisbatterijen zijn een oplossing, maar kosten nu nog vele duizenden euro's. Bovendien, als je redelijk veel zonnepanelen hebt zijn die thuisbatterijen snel opgeladen op zonnige dagen. Wat doe je dan met de rest van de stroom? En wanneer het een aantal weken achtereen behoorlijk bewolkt is, is de thuisbatterij binnen korte tijd leeg.
Deze problemen zijn er voor buurtbatterijen ook wel, maar in veel mindere mate. De capaciteit van een buurtbatterij is uiteraard veel groter, en kan naar behoefte redelijk eenvoudig worden uitgebreid. De organisatie rondom een buurtbatterij kan vanwege wetgeving niet worden opgepakt door de netwerkbedrijven. Ook de energiebedrijven kunnen dit vanwege concurrentie overwegingen niet gaan doen en de gemeenten lopen tegen financiële en organisatorische problemen aan. Rest dus: een onafhankelijke partij die in handen is van de degenen die het meeste profijt hebben van de buurtbatterij. De beste rechtsvorm hiervoor is een coöperatieve vereniging. Een buurtbatterij coöperatie die eigenaar is van de installatie, waaraan de leden hun 'overtollige' zonne-energie kunnen leveren en waarvan ze naar behoefte ook weer kunnen afnemen.
Netverzwaring is niet de oplossing voor congestie.
Van gasnet naar waterstofnet, en uitrol van lage temperatuur netwerken in plaats van grote uitbreidingen van het stroomnet
De overheid en de netbeheerders willen maatregelen die congestie op zowel het hoog- , midden- als laagspanningsnet moeten voorkomen. Aangedragen worden onder andere maatregelen die de vergunningsprocedures voor grondverlening moeten verkorten, zogeheten ‘flexibiliteitstenders’ en de stimulering van energiehubs.
In de onlangs gepresenteerde Actieagenda Netcongestie Laagspanningsnetten pleit Minister Jetten voor een versterkte samenwerking tussen regionale netbeheerders en gemeenten, onder andere om ervoor te zorgen dat plannen goed op elkaar afgestemd zijn en er grond beschikbaar is. Men wil dat netverzwaring en netuitbreiding plaats gaan vinden vanuit een wijkgericht perspectief, met betrokkenheid van burgers.
Die betrokkenheid van de burgers zal inderdaad nodig zijn, want de beoogde werkzaamheden zullen voor de nodige overlast gaan zorgen. Buurt voor buurt zullen de straten weer opengaan en de kosten zullen torenhoog worden.
Maar als de zwaardere kabels eenmaal aangelegd en aangesloten zijn, zullen deze dan wél voldoende capaciteit hebben?
Redenen om niet over te gaan op rigoureuze verzwaring van het stroomnet:
1. Transitie aardgasnet naar waterstofnet
Als we alleen luisteren naar de netbeheerders lijkt erop dat verzwaring van het stroomnet de enige weg is. Toch zijn er echter binnen de installatie sector regelmatig andere geluiden waarneembaar. Kritiekloos ingaan op de roep om verzwaring van de hoofdelektrastructuur kan weleens in een duur fiasco kunnen uitmonden. De kosten voor de verzwaring zullen namelijk oplopen tot minstens 40 miljard, een bedrag dat beter geïnvesteerd kan worden in bijvoorbeeld de transitie van ons aardgasnet naar een waterstofnet en de koppeling van beide energiesystemen met hybride brandstofcellen. Voor het geschikt maken van het aardgasnet in Nederland voor waterstof is volgens de Gasunie naar verwachting 'slechts' voor de helft (20 miljard in plaats van 40 miljard) van de kosten.
2. Stimulering lokale lage temperatuur netwerken (LTN)
Doordat de Nederlandse fabrikanten de productielijnen voor warmtepompen op volle toeren laten draaien en tegelijkertijd met een stroom van innovaties gericht op verbetering van de prestaties van de warmtepompen introduceren, wordt het aanbod zowel kwantitatief als kwalitatief steeds groter.
Vele honderdduizenden warmtepompen zullen de komenden jaren geïnstalleerd gaan worden in Nederland.
Betekent dit nu dat we volledig in moeten gaan zetten op warmtepompen, c.q. 'de individuele oplossing', en dat we daarmee maar beter alle collectieve initiatieven een plekje moeten gaan geven in de marge van de warmtetransitie?
Gemiddeld zal ieder huishouden dat een warmtepomp laat installeren circa 3000 kWh meer stroom nodig hebben dan voorheen. Voor veel huishoudens betekent dit ruim een verdubbeling van het jaarlijks stroomverbruik. Als heel Nederland aan de warmtepomp gaat is het dan ook niet gek dat de netbeheerders zenuwachtig worden, en ze steeds harder gaan aandringen om nestverzwaring.
Hiervoor is een oplossing voor handen. Deze ligt in de combinatie van de individuele oplossingen (warmtepompen in iedere woning) en collectieve oplossingen in de vorm van lage temperatuur netwerken (LTN) en buurtbatterijen.
Een transitie van ons aardgasnet naar een waterstofnet in combinatie met stimulering van LTN en buurtbatterijen in alle wijken en dorpen van Nederland is misschien is ingewikkelder dan aanleg van vele zwaardere kabels in de Nederlandse bodem, maar de kans is groot dat dit kwalitatief beter uitpakt en dat het minder kosten met zicht meebrengt.
Van het gas af
In de jaren 60 gingen in snel tempo alle huishoudens in Nederland over van kolen naar gas. Het comfort in de woningen werd daardoor enorm verbeterd. Nu staan we weer voor een grote uitdaging. We moeten van het gas af, terwijl we het comfort waaraan we zo gewend zijn geraakt willen behouden.
Om de CO2-uitstoot te verminderen wil de overheid dat we over gaan stappen op duurzame energie. Een van de doelen is om al vóór 2030 ongeveer 1,5 miljoen bestaande woningen in Nederland van het gas af te krijgen.
Uiteindelijk zullen in 2050 alle woningen in Nederland van gas af moeten. Koken op gas en het huis verwarmen met gas zal dan niet meer mogelijk zijn.
Zelf de eerste stap zetten
In het regeerakkoord wordt al uitgegaan van installatie van meer dan 100.000 hybride warmtepompen per jaar. De regering ziet de hybride warmtepomp als een goede warmteoplossing voor de korte termijn. Een soort tussenstap naar een gasloos huis.
